Dit verhaal gaat over een stukje Zuidhorn waarvan nauwelijks iets overbleef. Het is gebaseerd op de herinneringen en documenten van Coba Pama (1947) en Meindert (Menno) Broeils (1930) (Fig. 1). Beiden brachten hun jeugd door in een deel van Zuidhorn dat in de volksmond bekend stond als ‘de Stroschuur’. Een gebied dat globaal begrensd werd door de spoorweg, de Hooiweg en de ‘reed’ van de Oostergast. Sporen die aan de vroegere situatie herinneren zijn nu vrijwel uitgewist. Alleen een enkele woning uit die tijd bleef staan.

Fig. 1 Coby Huistra-Pama en Meindert (Menno Broeils) in 2011
Geert Pama de vader van Coba was aanvankelijk taxichauffeur in Groningen. Begin 1940, het moet nog voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog geweest zijn, solliciteerde hij bij Joh. Smit die een opvolger zocht voor zijn bedrijfsleider Van der Pers. De toen 33 jarige Pama kreeg de baan en daarmee de dagelijkse leiding over de Zuidhorner vestiging van de N.V. Handelsmaatschappij, voorheen K. Smit. Hendrik Broeils, Meinderts vader, was aanvankelijk molenaarsknecht in Lutjegast en Eenrum. Hij kwam al in 1930 met zijn gezin naar Zuidhorn. In de eerste jaren haalde hij met paard en wagen stro, hooi en vlas op bij de boeren rondom Zuidhorn. Later leerde hij autorijden en ging hij met een van de vrachtauto’s op pad. Voertuigen waarvan hij ook het onderhoud deed.
Speelterrein
Voor de jonge Meindert waren de loodsen van de N.V. en het terrein eromheen zijn vaste speelterrein. Spelen dat vaak ook werken betekende wanneer hij zijn vader moest helpen bij het verzorgen van de paarden en het vee. De loodsen en schuren staan nog in zijn geheugen gegrift en hij maakte een schets van de voornaamste gebouwen. Aan elk daarvan zijn herinneringen verbonden. De ‘stroschuur’ met daarin het paard dat midden in de nacht losgebroken was en gek van de pijn op de schuurdeur roffelde. En ook de ‘blikken loods’ waarin zijn vader zijn tabaksbladen te drogen hing en waarin zijn ondergedoken broer ’s nachts sliep. Deze broer, die tewerkgesteld was in Hamburg, was daar ternauwernood ontkomen aan de vuurstorm die volgde op de geallieerde bombardementen. Hij leed aan zijn verschrikkelijke ervaringen en doolde ’s nachts rond. Meindert moest daarom bij hem op de zolder van de loods slapen en hem rustig houden.
Coba vertelt dat ze het gevoel had dat ze haar jeugd doorbracht op het ‘landgoed’ van haar vader. In de hoogtijdagen liepen er op de 21 hectare die het areaal besloeg zo’n veertig schapen, vijftig koeien en … zestig paarden! Een echte stoeterij. De koeien en schapen werden in het voorjaar aangekocht en in het najaar weer verkocht. Het grazende vee zorgde voor de bemesting van de weilanden waarop de paarden liepen. En om die paarden, de dravers, draaide het bij Jo Smit! De merries en hengsten deden wat er van hun verwacht werd en jaarlijks werden er zo om en nabij zestien veulens geboren. Coba groeide dus tussen de paarden op. Als kind al hielp ze mee met het verzorgen ervan. Ze hield de drachtige merries in de gaten die op het punt stonden om te ‘veulen’. En al op jonge leeftijd leerde ze paardrijden op de pony die zij van Joh. Smit ‘kreeg’. Groot was haar verdriet toen het dier op een gegeven moment verkocht werd.
Coba’s ‘landgoed’
Zowel in de verhalen van Meindert als in die van Coba spelen de gebouwen en weilanden aan de Oostergast een belangrijke rol. Dat is geen wonder, tenslotte zijn de indrukken die een mens in zijn vroegste jeugd opdoet onuitwisbaar. De luchtfoto (Fig. 2) die bij de familie Huistra in de gang hangt geeft een duidelijk beeld van de situatie rond 1950. De foto toont een – voor die tijd – grote agrarische onderneming. Een met de landbouw verweven bedrijf dat meer dan een halve eeuw aan veel mensen werk bood. Op de plaats van het gemeentehuis, het transferium en aangrenzende gebouwen stonden vroeger de huizen en bedrijfsgebouwen van de N.V.

Fig.2 Het bedrijfsterrein: onderin de foto zijn de spoorweg en de wagons met stro of hooi te zien. In de hangar links werd onder meer vlas’ ‘geriepeld’. Achterin stonden de dravers. Quicksilver S stond in de uitbouw rechts. In de langwerpige ‘blikken loods’ lag stro en hooi. De grote stroschuur, waarin ook paarden gestald waren, was door de garages met de dekkledenloods verbonden. De in een cirkel opgestapelde stropakken linksboven vormden de manege waarin men de paarden rond liet draven. Rechts het huisje waarin de familie Broeils ooit met zeven kinderen woonde. Tja, als het geheel de vorm en de stijl van een klassiek landgoed had gehad was het misschien de moeite waard geweest om het geheel te behouden. Maar in de eerste plaats ontbrak het feodale landhuis van de bezitter: Joh. Smit woonde in Groningen. En in de tweede plaats waren de verschillende schuren en loodsen geen wonderen van architectuur maar vooral functioneel, zoals de foto laat zien. De in 1933 gebouwde stroschuur was waarschijnlijk het enige gebouw waaraan een architect te pas was gekomen.
De Stroschuur in de bezettingstijd
Meinderts jeugdherinneringen, dat bleek al eerder, dateren vooral uit de bezettingstijd. Aan het begin daarvan was hij 9 jaar en toen de oorlog voorbij was, was hij 14 jaar en zat hij op de mulo aan de Hooiweg op een steenworp afstand van zijn ouderlijk huis. ‘Oom Joh.’ maakte in die jaren grote indruk op de schooljongen van toen. Bijvoorbeeld wanneer hij en zijn vriendjes een lift kregen in de blauwe open Buick van Joh. Smit. Een auto die ondanks de oorlogsschaarste op benzine reed! Smit die zelf geen kinderen had maar een kindvriendelijk mens was stopte dan en riep ‘jongens kom er maar in’. Bij andere gelegenheden tracteerde hij soms op snoepgoed dat zijn vrouw hem meegaf.
Waar Meindert dus nog eigen herinneringen heeft aan de oorlogsjaren daar moet Coba het met de verhalen doen die zij van haar vader hoorde. Meindert vertelt over het feit dat hij erop uit werd gestuurd om dingen te ‘organiseren’ zoals brandhout of steenkool. De door zijn vader geteelde en gedroogde tabak was daarbij een gewild ruilmiddel. Coba schildert allerlei situaties waarin mensen haar vader om hulp vroegen. Pama was als bedrijfsleider immers in de positie om dingen te ‘regelen’ zoals benzine! Ook waren er op het terrein allerlei plaatsen waar dingen verstopt konden worden. Zo lagen er bijvoorbeeld radio’s onder het hooi verborgen. In deze onzekere jaren was veel vreemd volk onderweg en het hebben van een grote bouvier was pure noodzaak. Als er onbekenden over het terrein rondscharrelden of aan de deur kwamen, zorgde Pama dat hij die hond bij zich had.
Vergroeid met de N.V. Handelsmaatschappij voorheen K. Smit
Coba had haar mooie jeugd vooral te danken aan het feit dat haar vader over dit bedrijf de scepter zwaaide. Hij deelde het werk in, sloot contracten af met leveranciers en afnemers en was admistrateur en betaalmeester tegelijk. Daarnaast was hij ook nog zoiets als voogd of sociaal raadsman voor sommige personeelsleden en hun gezinnen. Zo verhinderde hij dat het weekloon van sommige ‘stromannen’ door deze kostwinners in drank omgezet werd en nooit de huishoudpot bereikte. Hij loste het probleem discreet op door in dergelijke gevallen twee loonzakjes te vullen, één voor de werknemer en één enveloppe die rechtstreeks naar moeder de vrouw ging. Gevolg van deze sterke betrokkenheid bij het bedrijf was dat het gezin een beperkt privéleven kende. Daar kwam nog bij dat Geert Pama naast zijn baan ook de nodige functies in het verenigingsleven vervulde. Hij zat in het schoolbestuur, was bestuurslid van de motorclub en, wat niet meer dan logisch was, hij was penningmeester/secretaris van de paardensportvereniging die in die tijd nog echte draverijen organiseerde. Ze vonden plaats op een weiland tegenover het vroegere Zonnehuis aan de overkant van de provinciale weg.

Fig. 3 Van links naar rechts Quicksilver S, Albert Huistra, bedrijfsleider Geert Pama en dhr. Kraak
Een patriarchale werkgever
Over Joh. Smit vertelt Coba dat hij weliswaar een man was die grote zaken deed, maar tegelijk in de dagelijkse dingen een ‘zunige knieperd’ was die beknibbelde op alles wat hij als niet noodzakelijke franje beschouwde. Van deze houding noemt zij diverse voorbeelden. Maar haar vader streek in voorkomende gevallen de plooien glad, ondermeer door ‘creatief’ te boekhouden. Hij wist hoe hij met zijn baas moest omgaan en Smit liet hem in veel dingen de vrije hand en stuurde alleen op hoofdlijnen. De invulling van de details liet hij aan zijn bedrijfsleider over. En zo bestierde vader Pama de ‘stroschuur’ dus als een soort landheer. Coba heeft haar vader niet anders gekend dan gekleed in colbert met overhemd en stropdas! Hij deed zijn administratie thuis en iedere donderdag reisde hij af naar de Verlengde Hereweg nummer 5 in Groningen waar Jo Smit en zijn vrouw Luise Emilie Becker woonden en waar ook het kantoor van de firma Smit gevestigd was. s’ Middags kwam hij dan weer terug naar Zuidhorn met ‘in e buus een dikke puud met geld’. De weeklonen voor het personeel stopte hij vervolgens onder zijn matras. En onder het bed lag, in een leren foedraal, de Duitse bajonet klaar voor het geval dat er ingebroken zou worden. Gelukkig heeft hij dat wapen nooit hoeven gebruiken.

Fig. 4 Johannes Smit (1881 – 1968) en zijn in Duitsland geboren echtgenote Luise Emilie Becker (1890 – 1951)
De mensen van de Stroschuur
Een deel van de werknemers van Smit woonde ook op het ‘landgoed’. Zoals de families Broeils, Veltrop, Pama en Tillema die allen rond de Stroschuur woonden op adressen aan de Hooiweg en de Oostergast. Ze konden goed met elkaar en het gemeenschapsgevoel uitte zich bij diverse gelegenheden. Bijvoorbeeld tijdens een uitstapje zoals dit in 1953 waarbij deze groepsfoto werd gemaakt. Daarop staan veel mensen afgebeeld die destijds rond de Stroschuur woonden of er direct of indirect iets mee te maken hadden. Deze foto die een paar jaar geleden opdook vormde samen met het portret van het echtpaar Smit de aanleiding tot dit verhaal. Met medewerking van een aantal oudere Zuid- en Noordhorners lukte het om de meeste namen van de afgebeelde personen te achterhalen. Maar het is nog steeds niet precies duidelijk wanneer en waar deze foto gemaakt werd. En ik hoop dat er lezers zijn die deze vragen kunnen beantwoorden.

Fig. 5 Van boven naar beneden en van links naar rechts : Van der Molen, buschauffeur, onbekend, De Boer, Middel, Hendrik Broeils, Pama, Suurd, Alle Veltrop, Gerrit Tillema, Douwe Frankes, Frouke Broeils, mevr. Kuipers, mevr. Pama, mevr. Suurd, mevr. Frankes, mevr. De Boer, Winnie Veltrop, mevr. Middel, Frouke van Bergen, Abel van Bergen, Jellie Huizinga, Hansma, Koosje Hansma, Antje Bos, Jan Bos, mevr. van der Molen, Elly Timmer, mevr. Schipper, Arend Jonkman, Reiner Kazemier, mevr.Kazemier, Bieuwke Ploeg, mevr. Tillema, mevr. Van der Naald, nog een mevr. Kazemier, Schipper, Pruim, Hille van der Naald (zoon), Van der Naald (vader), Ploeg, Job Jager (vader van Kees Jager) en Henk Timmer.

Fig. 6 De villa van het echtpaar Smit pal naast het Hereweg-viaduct. Het kantoor waar bedrijfsleider Pama zich wekelijks meldde bevond zich op de begane grond. Andere gebouwen verdwenen maar dit pand staat er in 2013 nog steeds. Het is de vraag voor nog hoe lang, want het verkeert in slechte staat.
Quicksilver en Pelikaan S
Joh. Smit was weliswaar een succesvolle zakenman die twee strokartonfabrieken en veenderijen bezat maar vóór alles was hij een paardenman! En die paarden liepen in Zuidhorn op de weilanden aan de Oostergast. Er is veel over deze dravers geschreven en ook het fotoboek van Coba bevat grote aantallen foto’s van paarden en veulens waarvan een aantal erg beroemd werd. Zoals de fameuze draver Quiksilver S, maar ook Stuërman en Pelikaan S waren destijds beroemde paarden. Coba heeft ze allemaal meegemaakt. Ze paste op de merries wanneer ze moesten ‘veulen’ en met haar vader bezocht ze de draverijen waarop ze hun zeges behaalden. Misschien had ze zelf ook wel met een sulky willen rijden, maar dat was iets waar haar moeder strikt tegen was. Die wereld vond ze te ruig voor meisjes !

Fig. 7 Stroschuur en omringende bebouwing in de tachtiger jaren. Het oude station is al verdwenen maar de woningen aan de Hooiweg staan er nog.
Einde van de N.V. Handelsmaatschappij
In de vijftiger jaren begonnen de zaken terug te lopen, de vlasbrekerij verdween, de vrachtwagens werden verkocht en de strokartonfabrieken maakten moeilijke tijden door. In feite bleef de stoeterij nog het langst in bedrijf. Ongeveer een jaar voor zijn overlijden deed Smit ook zijn paarden van de hand en na zijn dood in 1968 werden zijn overige bezittingen verkocht. Geert Pama, die toen zestig jaar was, werd belast met het ontmantelen van de resten van de N.V. Het grootste deel van het grasland werd gekocht door Iwema aan wiens boerenbedrijf het land grensde. Andere kopers van grond en opstallen waren Sake Rispens en notaris Wieringa. De loodsen verdwenen, de een na de ander. Alleen de in 1943 gebouwde stroschuur bleef nog jarenlang een beeldbepalend element. Tot ook hij in het kader van de reconstructie van het Hooiwegterrein werd afgebroken. Alles wat ervan overbleef is de door Emilie Smit gelegde eerste steen met de initialen van haar en van haar man en de bijzondere stok die al door de oude K. Smit gebruikt werd: een wandelstok met een meetlat om de schofthoogte van het paard te meten. Deze spullen zijn onlangs door Coba afgestaan aan de Historische Kring Zuidhorn.
Nico Attema
